Zorgvraag stappenplan

Eerste overleg

Eerste overleg

In een 1e overleg zoeken antwoorden op de vragen:

  • Hoe kunnen de leerkrachten opnieuw het hoofd boven water houden?
  • Hoe blijven we de leerling achter het gedrag zien?
  • Wat is dat eigenlijk ‘gedragsproblemen’?
  • Wie behoort er tot ons netwerk? Hoe bouwen we dit verder uit?
  • Waar leggen we de focus?
  • Wat is ons perspectief op korte en middellange termijn?

Klik op de verschillende onderdelen hieronder om meer te weten.

Ontschuldigen / (h)erkennen

Luisteren is een zinvolle aanvangshouding.  De mensen die dagdagelijks geconfronteerd worden met leerlingen met moeilijk gedrag, zijn in de eerste plaats op zoek naar begrip.

Uiteraard willen zij adviezen, maar het voornaamste is toch gehoor vinden en beluisterd worden.

Informeren

Wat mogen we nog verwachten van de leerlingen? Waar komt dat gedrag vandaan? Hoort dit tot de normale ontwikkeling van de leerling? Mogen we nog wel eens kwaad worden als leerkracht?

Vaak gestelde vragen die erop wijzen dat het belangrijk is om ons goed te informeren over omgaan met moeilijk gedrag.

Focussen

Vaak is er bij gedragsproblemen sprake van een complexe problematiek. Er
worden veel gedragingen gezien waarvan je het liefst wil dat ze direct stoppen.

Toch is het raadzaam om slechts twee of drie gedragingen te kiezen waarmee je aan de slag gaat. 

Perspectief bieden

Een overleg is pas geslaagd als iedereen weet wat het plan van aanpak zal zijn.

Het is belangrijk om een vooruitzicht te hebben. Waar werken we op korte termijn naar toe? Wie doet wat?  Wanneer zitten we (opnieuw) samen? Wie betrekken we?

We zorgen voor een perspectief.

Registreren

Laat ons niet enkel registreren omdat het moet, want dan is het planlast.  Laat ons registratie gebruiken om op een meer objectieve manier te kunnen spreken over moeilijk gedrag.  

Door registratie te kunnen doorgeven aan alle betrokken partijen, wordt ‘er als school niet alleen voor staan’ in de praktijk gezet.  

Professionele nabijheid

Wij zijn een coach van onze leerlingen. Wij willen ze iets bij leren. We vertrekken graag vanuit verbinding. 

Maar wat doen we bij leerlingen waarbij we de verbinding kwijt zijn? Onbeleefde leerlingen, leerlingen zonder respect, leerlingen die onaangepast/ongewenst gedrag vertonen, leerlingen die ons negeren, leerlingen die niet luisteren, …?  

Ontschuldigen / (h)erkennen

Op een eerste overleg is het belangrijk dat de betrokken leerkrachten vrij-geroosterd kunnen worden om samen de zorgvraag te verhelderen en een eerste aanzet te kunnen geven naar ontmijnen en dé-escalatie.

De aanwezigheid van de zorgcoördinator en directeur is een duidelijk signaal naar alle betrokkenen dat deze crisissituatie als ernstig en zeer dringend wordt gezien.

“Spreken is zilver, zwijgen is goud.”

Dit gezegde is een leidraad in het eerste contact met leerkrachten die met de handen in het haar zitten.

Luisteren is een zinvolle aanvangshouding. De mensen die dagdagelijks geconfronteerd worden met leerlingen met moeilijk gedrag, zijn in de eerste plaats op zoek naar begrip.

Uiteraard willen zij adviezen, maar het voornaamste is toch gehoor vinden en beluisterd worden.

Leerkrachten zijn onderwijsprofessionals die hun vak verstaan. Wij kunnen die kennis en expertise niet overnemen. Lesgeven gaat niet alleen over cognitieve kennisoverdracht. Als leerkracht neem je eigen waarden en normen mee naar de klas en wil je die ook graag uitdragen.

Het is belangrijk dat mensen hun eigen buikgevoel mogen blijven volgen, maar door hier en daar een andere focus
te leggen in het omgaan met leerlingen met moeilijk gedrag, kunnen we wel een aanvulling zijn op wat al uitgeprobeerd is, wat werkt. 

Het ontschuldigen en (h)erkennen van de moeilijke situatie zorgt vaak voor een
constructieve sfeer.

Wanneer er sprake is van gedragsproblemen, wordt de pedagogische basishouding van een leerkracht flink op de proef gesteld.

Leerkrachten ervaren het storend gedrag als problematisch en negatief, maar voelen zich vaak niet bij machte om er mee om te gaan. Dit uit zich in gevoelens van incompetentie, onmacht, onzekerheid en stress.

We willen de leerkrachten uitnodigen om in de eerste plaats aan zichzelf te denken. Volgens het principe als de leerkracht zich sterk genoeg voelt, zal dit op langere termijn ongetwijfeld ook een gunstig effect hebben op de relatie met de leerling met gedragsmoeilijkheden.

Bouwstenen tot een succesverhaal is goed luisteren en tegelijk proberen een rode draad doorheen het ventilatieverhaal te vinden.

We stellen ons gedurende het eerste overleg de volgende vragen:

  • Wat willen we bereiken?
  • Hoe is de huidige situatie?
  • Welke mogelijkheden ziet de leerkracht?
  • Welke keuzes gaan we maken?

Omgaan met gedragsproblemen is meestal een proces van lange adem. Lang ingeslepen gedragspatronen veranderen langzaam. Dit vraagt tijd en geduld.

Steun van elkaar is essentieel om gedrag te veranderen.

Informeren

GEDRAGSPROBLEEM - GEDRAGSSTOORNIS

Leerlingen met gedragsproblemen of gedragsstoornissen hebben het moeilijk. Hun leerkrachten, hun ouders, hun klasgenoten, hun broers en zussen, hun ondersteuners, … kortom heel de omgeving ook.

Het is van belang om een gedragsprobleem en een gedragsstoornis goed uit elkaar te houden. Dat is belangrijk omdat je niet op beiden evenveel invloed hebt.

Een gedragsstoornis is niet te verhelpen. Je moet ermee leren leven. De omgeving kan de stoornis verergeren. Je kan wel proberen de beperkingen die gepaard gaan met de stoornis te verminderen.

Gedragsstoornis

Ontwikkelingsstoornis

Angststoornis

ODD ADHD angststoornis
CD ASS
hechtingsstoornis
Ongewenst gedrag is niet inherent aan ontwikkelingsstoornissen, maar vaak vertonen kinderen met ontwikkelingsstoornissen wel ongewenst gedrag.

GEWELDLOOS VERZET

De toename van gedragsproblematiek in het gewoon onderwijs bracht de afgelopen jaren een scala aan methodieken op de markt.  Aanvankelijk op de leerling zelf gericht: de leerling had een probleem en moest veranderen. Men dacht gedragsproblemen te verminderen door het defect te repareren. Het aanleren van sociale vaardigheden en agressieregulatie is zeer zinvol, maar helaas blijkt dat de transfer van geleerde vaardigheden naar de praktijk niet zo eenvoudig verloopt, omdat de omgeving er niet op is ingesteld.

De gedachte dat de oorzaak van het probleemgedrag niet altijd in de leerling, maar ook buiten hem gezocht kan worden, wint daardoor steeds meer terrein. In plaats van alleen maar naar het defect of de tekortkoming in de leerling te kijken, wordt ook naar factoren in de omgeving gekeken. Probleemgedrag wordt daarmee breder gedefinieerd, waardoor meerdere oplossingen en interventies in beeld komen. Geweldloos verzet is één van deze interventies, die vooral inzet op de omgeving van de leerling.

Bij het gebruik van geweldloos verzet is het niet noodzakelijk te weten welke diagnose bij de leerling gesteld is. Soms lijken gedragsproblemen te worden veroorzaakt door een aandoening, maar dit mag geen excuus zijn om grensoverschrijdend gedrag te tolereren. Het is verleidelijk om te proberen de oorzaak van het ongewenst gedrag te achterhalen, maar het is de vraag of je veel energie moet steken in het achterhalen ervan. Het gaat er immers om het ongewenste gedrag te  stoppen. Dit kan als er juist niet wordt meegegaan in het gedrag, maar door helder en duidelijk te communiceren en zo te helpen met dit gedrag om te gaan.

In het onderwijs is tijdsgebrek een chronisch probleem. Er wordt veel gevraagd van scholen en er komen steeds meer taken bij.  Omgaan met gedragsproblemen kost tijd en energie, die soms in een bodemloze put van frustratie lijken te verdwijnen. Juist dan is werken met geweldloos verzet een manier om tijd te besparen. In plaats van steeds maar weer met de leerling, zijn ouders en eventueel andere betrokkenen rond de tafel te gaan zitten om problemen te bespreken, wordt daadkrachtig gehandeld en stelling genomen. De tijdsinvestering die geweldloos verzet in eerste instantie vraagt, levert dus op termijn een flinke besparing op.

Wil van Nus (2015) Het ijzer smeden als het koud is:Geweldloos verzet op school. Een nieuwe kijk op gedragsproblemen. Uitgeverij Abimo/pica

MEDISCH – SOCIAAL MODEL

We proberen niet naar de leerling te kijken vanuit het medisch model. Dit betekent namelijk dat ongewenst gedrag enkel kan worden opgelost als we het defect repareren. Maar desondanks is het wel handig om gedragsstoornissen te kennen en herkennen. De leerling veranderen valt niet mee, zeker niet als het lijdt aan een stoornis. Een kind met ODD, houdt ODD, wat we ook doen. Een kind met probleemgedrag kunnen we beetje bij beetje veranderen, maar dat heeft veel tijd nodig.

We kiezen daarom voor het sociaal model waarbij een gedragsprobleem ontstaat door een verkeerde interactie tussen de leerling en de omgeving. Er is een mismatch tussen verschillende partijen, bijvoorbeeld de leerkracht, de leerling en de omgeving. Een leerling zal meestal niet in zijn eentje uit zijn dak gaan, daar zijn anderen voor nodig.  Het gedrag van de één roept reactie op bij de ander.  Een verkeerd geïnterpreteerde blik, een te scherp uitgesproken zin of een onverwachte duw kan al genoeg zijn.

INTERNALISEREND - EXTERNALISEREND

Het probleemgedrag dat we opmerken is meestal externaliserend gedrag. Klasgenoten en leerkrachten vinden het lastig dat iemand dwars, brutaal, oneerlijk, druk, overbeweeglijk, onvoorspelbaar, explosief is.

Internaliserend probleemgedrag wordt soms niet erkend als gedragsprobleem, maar dat is het wel.  Faalangstige, zeer gesloten, onzekere leerlingen hebben evenzeer het recht op extra ondersteuning.

Externaliserend

Internaliserend

agressief faalangst
hyperactief perfectionistme
antisociaal angstig
prikkelbaar opstandig

Het helpt om de omgeving anders te laten reageren of de leerling andere vaardigheden bij te brengen. Veel probleemgedrag kan worden voorkomen, door te werken op de brede basiszorg. We denken bijvoorbeeld aan heldere regels, positieve omgangsvormen, specifieke aandacht voor het socio-emotionele. 

Heel vaak is de klassensituatie complex, zeker als het gedrag van enkele leerlingen om extra ondersteuning vraagt. 

We scheppen een kader, waarin je kan nadenken over mogelijke oplossingen voor, of beter nog, ter preventie van gedragsproblemen. Daarnaast willen we een mogelijke denkrichting bieden om bewuster om te gaan in het ondersteunen van leerlingen met gedrags-, leer- of ontwikkelingsstoornis.

ONTSTAAN VAN PROBLEEMGEDRAG

Van groot belang is dat we ons bewust zijn dat geen enkel kind ’s ochtends naar school komt met het idee om vandaag eens lekker dwars te liggen en het leven van klasgenoten en juf of meester te verpesten.

Elk probleemgedrag moeten we beschouwen als een signaal, een kreet om hulp.

Het is een kwestie van ‘niet kunnen’, eerder dan van ‘niet willen’. Het gedrag is het topje van de ijsberg. Wij willen op zoek gaan naar wat er onder water zit; naar de redenen voor dit moeilijk gedrag. Niet veroordelen maar verklaren en bespreken. Vanaf het eerste gesprek is het belangrijk om een aantal algemene inzichten mee te geven.

Basisvertrouwen

Het aanvaarden van de kinderen zoals ze zijn en rekening houden met de mogelijkheden en beperkingen is steeds onze vertrekbasis.

Als professionele hulpverleners hebben wij de plicht kinderen onvoorwaardelijk te accepteren. Een kind dat zich niet aanvaard weet (omwille van…) functioneert niet of verkeerd. De leerkracht moet trachten het onderscheid te maken tussen het kind en zijn onaanvaard gedrag. Het gedrag mag veroordeeld worden, het kind echter niet. Dit houdt in dat we kinderen die probleemgedrag vertonen zo veel mogelijk kansen moeten geven. De draagkracht van de leerkracht is hierbij uiteraard van belang.

Rust is het sleutelwoord

Het lijkt alsof leerlingen met probleemgedrag ook steeds als een magneet naar conflicten getrokken worden. Vaak overkomt het hen. Het zoeken naar rustmogelijkheden voor het kind, maar ook voor de omgeving zijn essentieel in het proces om probleemgedrag aan te pakken.

Beperkte actieradius

Als leerkrachten moeten we, op pedagogisch vlak, erg bescheiden zijn. Onze invloed op kinderen is immers beperkt. Kinderen met gedragsmoeilijkheden zitten vaak in complexe omgevingen. Het is belangrijk dat we ons beperken tot een afgebakend domein binnen deze complexe wereld. We moeten die beperktheid accepteren.

AANPAK

Wat we wel kunnen aanpakken is de klassituatie, waardoor de interactie tussen leerkracht, leerling en klasgenoten verandert. Bedoeling is dat dit systeem weer goed begint te werken. Dit betekent echter niet dat de leerling met probleemgedrag kan blijven doen wat hij doet. Hij zal bepaalde vaardigheden moeten trainen die hij nu blijkbaar nog niet bezit of toepast. 

Wij geloven erin dat het trainen van deze vaardigheden het meest effectief is als dit met de hele klasgroep gebeurt. Leerlingen die in een apart lokaal allerlei tips inoefenen om beter met moeilijke situaties om te gaan, zijn vaak niet bij machte om de transfer te maken als het zich daadwerkelijk voordoet. Een bijkomende hindernis vormt dan vaak ook nog eens dat de omgeving helemaal niet weet welke vaardigheden deze leerling heeft ingeoefend.

Het is veel effectiever om je klasgroep te gebruiken om moeilijke situaties bespreekbaar te maken.  Samen sta je veel sterker. Een goede groep voorkomt veel gedragsproblemen. We kunnen de goede voorbeelden die in elke klas aanwezig zijn effectief inzetten om samen aan de slag te gaan. Als leerkracht voel je je veel sterker als probleemgedrag geen taboe is in je klas, maar dat er een gemeenschappelijke taal wordt ontwikkeld, waarbij we moeilijke situaties samen aanpakken.

Leerlingen kennen elkaar door en door en weten vaak heel goed wat tumult veroorzaakt. Ze weten perfect welk knopje ze bij iemand moeten induwen om een klasgenoot op stang te jagen. We streven ernaar dat we een sfeer creëren zodat leerlingen elkaar helpen om te gaan met ieders werkpunten, zodat ‘het knopje’ net wordt afgeschermd in plaats van wordt ingedrukt. Dit kan enkel maar door met elkaar open te communiceren en dit ook te laten leven binnen de klasgroep. Door les te geven over ‘moeilijke situaties’ en ‘conflicten’ zoeken we samen naar mogelijkheden om er gepast mee om te gaan. 

Focussen

Vaak is er bij gedragsproblemen sprake van een complexe problematiek. Er worden veel gedragingen gezien waarvan je het liefst wil dat ze direct stoppen.  Toch is het raadzaam om slechts twee of drie gedragingen te kiezen waarmee je aan de slag gaat. Zo blijft de aanpak voor alle partijen (school, leerling en ouders) haalbaar.

Het is niet realistisch om met alle gedragingen tegelijk aan de slag te gaan. Het zal veel tijd en energie vergen om het proces vol te houden en door te zetten. Het helpt daarom om een beperkt aantal werkpunten te kiezen en je te richten op dingen die er echt toe doen.

In geweldloos verzet wordt volgende methode gebruikt om een concrete focus te bepalen:

 

In de gele emmer komt het gedrag waar je als leerkracht een hekel aan hebt, waar je je aan ergert maar dat je nog wel kunt negeren en dat niet schadelijk is voor de ontwikkeling van het kind.

In de blauwe emmer komt gedrag dat irritant is, maar dat je af en toe door de vingers kunt zien.

In de rode emmer komt gedrag dat onacceptabel is, dat schadelijk is voor de ontwikkeling van het kind.

Het verschil tussen blauwe en gele emmer is soms lastig te maken, maar het gaat erom je bewust te worden van het gedrag wat je daadwerkelijk wil aanpakken. De bedoeling is helder te krijgen tegen welk gedrag we ons gezamenlijk willen verzetten.

De verleiding is om teveel in de rode emmer te doen. Je wil veel veranderen maar dat gaat niet tegelijkertijd. Beperk je daarom tot maximaal drie gedragingen.

Perspectief bieden

Mensen hebben na een eerste overleg een perspectief nodig.  Waar werken we op korte termijn naar toe, wie doet wat? Wanneer zitten we opnieuw samen?

Een goede manier om te werken aan specifieke onderwijsbehoeften is om te werken met de M-cirkel. De M-cirkel kan helpen om oplossingsgericht en handelingsgericht te kijken naar en te handelen met leerlingen. Het biedt ons handvaten bij onze zoektocht en bij het bedenken van redelijke aanpassingen. De M-cirkel is als volgt opgebouwd.

1. Barrières

We zetten in op de ontwikkeling van de leerling, zowel door het werken aan eindtermen/ontwikkelingsdoelen en aan het welbevinden van de leerling.  We benoemen hier waar we tegen aanlopen.  Dit doen we door objectief te observeren.

2. Doel

Wat verwachten we van de leerlingen van de klas.  Deze doelen verwoorden we SMART (specifiek, meetbaar, aanvaardbaar, realistisch en tijdgebonden).

3. Ondersteuningsnood

Welke ondersteuning heeft de leerling nodig om de doelen te kunnen bereiken.  We schetsen een duidelijk beeld van de situatie en brengen de onderwijsbehoeften van de leerling in kaart.

De leerling heeft behoefte aan:

  • Instructie die …
  • Opdrachten of taken die…
  • Leeractiviteiten of materialen die …
  • Een leeromgeving die …
  • Feedback die …
  • Klasgenoten die …
  • Een leerkracht die …
  • Ouders die …
  • Hulp of ondersteuning nodig bij …

4. Redelijke aanpassingen

Om de kloof te dichten tussen waar we staan en waar we naartoe willen, kunnen we redelijke aanpassingen formuleren voor de leerling.

5. Ondersteuningsbehoeften leraren

We willen weten wat de leerkracht nodig heeft om noodzakelijke redelijke aanpassingen te kunnen doen.

De leerkracht heeft nood aan:

  • Kennis van …
  • Vaardigheden om …
  • Materialen waarmee …
  • Een klasgroep die …
  • ‘meer handen in de klas’ in de vorm van …
  • Een ondersteuner die …
  • Collega’s die …
  • Een zorgco die …
  • Een directie die …
  • Ouders die …
  • Een clb-medewerker die …
  • Een pedagogisch begeleider die …

6. Effect

Na het doorlopen van de M-cirkel gaan we na of de vooropgestelde doelen zijn bereikt.  Is de barrière voor de leerling weggewerkt?

Onderstaand schema kan als verslaggeving van het eerste overleg gebruikt worden:

  • Wat is de hulpvraag van de school?
  • Wat is het doel?
  • Wat heeft de leerling nodig?
  • Wat heeft de school nodig?
  • Welke redicodi’s werden al uitgeprobeerd?
  • Wie gaat wat doen, tegen wanneer (is het volgende overleg gepland?)

(https://www.topuntgent.be/files/kcfinder/files/evenementen/2017-09-14_hgw_2017/20171001_de_m-cirkel_in_tekst.pdf)

Registreren

Vaak voorkomende reacties zijn: “Deze leerling is nooit in orde. Hij zit steeds te praten. Dat kind doet vaak anderen kinderen pijn. Deze leerling scheldt voor het minste anderen de huid vol.

Meten is weten. Door aantallen te vermelden worden subjectieve begrippen als vaak, soms, weinig, altijd, nooit vermeden.

Om probleemgedrag aan te pakken is de eerste stap om dit in kaart te brengen in de vorm van een registratie. Dit hoeft niet uitgebreid te zijn. Een eenvoudige turflijst kan voldoende zijn om cijfermateriaal te verzamelen.

Cijfers zijn objectiviteit en bijgevolg zeer dankbaar om verder mee aan de slag gegaan worden. Dit kan later gebruikt worden in gesprekken met collega’s, de leerling, op MDO’s, tijdens oudercontacten. Als de emotie uit de observatie wordt gehaald, wordt coachen veel makkelijker.

Er wordt nergens een interpretatie gedaan, waardoor niemand zich persoonlijk aangevallen kan voelen. Dit is een noodzakelijke basis om op verder te kunnen bouwen.

Bij probleemgedrag zijn het vaak de vragen ‘waarom?’ of ‘waardoor?’ die we beantwoord willen zien. In veel gevallen zijn die niet zomaar op te lossen.

Er gaan bijna altijd nog andere vragen aan vooraf, die we wel kunnen observeren:

  • Wat gebeurt er eigenlijk precies?
  • Wanneer doet het zich voor? Wanneer loopt het wel goed?
  • Waar loopt het niet goed? Waar stelt het probleemgedrag zich niet?
  • Hoe pakken we probleemgedrag aan?
  • Wie wordt er allemaal op de hoogte gebracht?

BEVRAGING

Hieronder enkele resultaten van een bevraging van ondersteuners ondersteuningsnetwerk Noord-Brabant.

Hieruit blijkt dat slechts de helft van de crisissen op school wordt geregistreerd en slechts 1 op de 3 ouders hiervan op de hoogte wordt gebracht.

  

 

REGISTRATIEDOCUMENT

Om als school deze gegevens op een eenvoudige manier in kaart te brengen in bijlage een excel-document met vijf tabbladen (wat,waar,hoe,wie,wanneer) dat elke school naar eigen noden kan aanpassen.

Professionele nabijheid

Mensen in het onderwijs hebben een groot empathisch vermogen, ervaren het als bevredigend om anderen te helpen. Succeservaringen koppelen we meestal aan het opbouwen van een goede relatie met anderen.

We zijn een coach voor onze leerlingen. We vertrekken graag vanuit verbinding. Maar wat doen we bij leerlingen waarbij we de verbinding kwijt zijn? Onbeleefde leerlingen, leerlingen zonder respect, leerlingen die ongewenst gedrag vertonen, leerlingen die ons negeren, leerlingen die niet luisteren, …

Het is een enorme uitdaging om met deze leerlingen een relatie op te bouwen. Hoe kom ik niet te dicht bij? Hoe blijf ik toch verbinding houden? In een relatie vol met conflicten is ‘vertrouwen’ zeer moeilijk. Het is dan ook geen falen dat ‘verbinden’ niet lukt.

Het omgaan met intimidatie, manipulatie, geweld, crisissituaties is een enorme emotionele belasting. Hoe gaan we hier als professioneel begeleider mee om? Wat doet dat met mij als professioneel, maar ook als mens? Verbinden met leerlingen die vaak moeilijk gedrag stellen is een gigantische uitdaging!

Een eerste reflex moet steeds zijn: Pak moeilijke situaties niet alleen aan. Wie behoort er tot ons netwerk? Gebruik en vertrouw dit netwerk. Neem zelf even afstand tot de emoties verdwenen zijn. Geef jezelf tijd. We zijn geen machines, we blijven mensen. Deze zaken lijken vanzelfsprekend maar zijn ze in de praktijk zeker niet.

De valkuilen van mensen in het onderwijs zijn immers:

  • Zorgen voor onszelf
  • Balans vinden tussen werk en privé
  • ‘Ontvangen’ is niet vanzelfsprekend
  • Hulp vragen is moeilijk

Om professioneel nabij te zijn bij leerlingen met moeilijk gedrag is het van groot belang om bewust te schakelen tussen ons persoonlijke zelf en onze professionele rol. Om een gezond evenwicht tussen betrokkenheid en zelfzorg te bewaren is het goed om ons bewust te zijn van ieders persoonlijke zone, de manier van communiceren en onze lichaamstaal.

Bepaal vooraf voor jezelf een duidelijke werkwijze. Jij hebt de regie.

Carla Schellings (2016)Take Care! Zelfzorg voor professioneel begeleiders. Uitgeverij Boom/Nelissen

PERSOONLIJKE ZONE

Ieder van ons heeft een grens, ook onze leerlingen. Hoe bescherm ik mijn grens? Hoe ga ik niet over de grens van anderen?

Grensoverschrijding kan op vele manieren. Iemand kan aan je zitten of te dichtbij komen. Iemand kan je uitschelden of rare dingen van je vragen. Als we daarbij een onplezierig gevoel krijgen, betekent dit dat er iets niet klopt.

Met onze persoonlijke ruimte regelen we nabijheid en afstand ten opzichte van andere mensen. Deze regulering is meestal een onbewust proces. In het omgaan met leerlingen met moeilijk gedrag neemt bewustwording van de persoonlijke ruimte een belangrijke ruimte in.

De omgang met persoonlijke ruimte kent een leeftijdsontwikkeling. Een kleuter gaat anders om met persoonlijke ruimte dan een lagere schoolkind. Pas bij het bereiken van de adolescentie wordt de ‘volwassen’ afstand in persoonlijke ruimte in acht genomen.

Mannen en vrouwen gaan anders om met persoonlijke ruimte. Maar ook bestaan er grote verschillen tussen culturen in het omgaan met persoonlijke zones.

Wat echter overal van fundamenteel belang is, is het feit dat ieder van ons grenzen ervaart. Grenzen deel je namelijk met elkaar, het is een interpersoonlijk gebeuren. Degene die de ander nadert, leest aan de houding, gezichts- en ooguitdrukking af wanneer de grens wordt genaderd.

Dit lichaamsbewustzijn is echter bij onze leerlingen met gedragsmoeilijkheden zeer moeilijk. Mensen die letterlijk en figuurlijk te dicht bij komen, zorgen onbewust voor een reactie binnenin, die vroeg of laat ook zichtbaar wordt. Vaak uit zich dit in moeilijk gedrag.

Dit wil niet zeggen dat je steeds de nodige afstand moet blijven behouden. Een knuffel kan, maar best op een afgesproken moment, op een geschikte plaats en tijdens een sociaal aanvaardbaar tijdstip.

Freerk Ykema (2014) Rots en Water, psychofysieke training voor jongens en meisjes. Praktijkboek. Uitgeverij SWP Amsterdam

COMMUNICATIE

Probleemgedrag heeft altijd een context. Er zijn anderen bij betrokken, die er last van hebben of erop reageren. Probleemgedrag heeft dan ook een sterk interactief aspect. Het is lastig om goed te blijven communiceren op het moment dat moeilijk gedrag vertoont wordt. Maar ook vooraf en achteraf is het van groot belang om ons bewust te zijn van de manier waarop er gecommuniceerd wordt met onze leerlingen met moeilijk gedrag.

Het is makkelijker om professioneel te blijven door cijfers op tafel te kunnen leggen. Een objectieve observatie met duidelijke analyse helpt ons in het communiceren. We kunnen hier bijvoorbeeld praten over 6 lesstoringen per uur, in plaats van “jij stoort zeer vaak de les”.

Het is van groot belang dat wij de regie houden. Opdrachten in vraagvorm spreken dit tegen. “Ga zitten” is veel effectiever dan “Wil je gaan zitten?”. Het gebruik maken van steeds terugkerende slagzinnen in het omgaan met moeilijk gedrag is een grote hulp.

LICHAAMSTAAL

Hoe moeilijker de situatie, hoe bewuster we ons moeten blijven van ons eigen lichaam. De vergroting van ons lichaamsbewustzijn zal automatisch een vergroting van het emotioneel bewustzijn veroorzaken. Emoties drukken zich uit in de vorm van spierspanningen, een hoge adem, de grond onder je voeten kwijt raken, …

Als we ons bewust zijn van emoties ontstaat de ruimte voor reflectie en zo ook ruimte voor het maken van een keuze: “ik voel dat mijn adem omhoog gaat en dat mijn spieren zich gaan spannen, ik voel dat ik heel kwaad ga worden. Maar wil ik dat eigenlijk wel?” Nee? Dan kan ik nu heel bewust mijn adem weer onder controle brengen en sterk staan. Vergroting van het lichaamsbewustzijn helpt dus mee bij de ontwikkeling van zelfbeheersing, en daarmee ook bij het maken van de juiste keuzes.

Freerk Ykema (2014) Rots en Water, psychofyske training voor jongens en meisjes. Praktijkboek. Uitgeverij SWP Amsterdam

WERKWIJZE

Wij bepalen de werkwijze. Wij hebben de regie in het omgaan met moeilijk gedrag. Om professioneel nabij te zijn bij leerlingen met moeilijk gedrag is het van groot belang om bewust te schakelen tussen ons persoonlijke zelf en onze professionele rol. Het kan helpen om ons bewust te zijn van onderstaande stellingen:

Ik neem voldoende tijd om met mijn collega’s te praten over moeilijke situaties.

Ik kan mijn werk loslaten, ik neem het niet mee naar huis.

Ik wil leerlingen met moeilijk gedrag begeleiden en niet ‘redden’.

Mijn leerlingen zijn niet mijn vrienden.

Ik kan schuldgevoel over dingen die zijn fout gegaan in het omgaan met moeilijke situaties loslaten.

Ik weet wanneer ik lichamelijk toenadering kan zoeken.

Ik accepteer het als leerlingen mijn adviezen niet opvolgen of aannemen.

Ik voel me niet te veel en niet te weinig betrokken bij leerlingen met moeilijk gedrag.

Ik voel het als een persoonlijk falen als een leerling moeilijk gedrag stelt in mijn les.

Meer weten? Meld je hier aan om alle documentatie en infobrochures te downloaden.