Zorgvraag stappenplan

Middellange termijn

Middellange termijn

Op middellange termijn brengen we zoveel mogelijk in kaart:

  • Welke observatiemethoden kunnen we gebruiken om het probleem in kaart te brengen?
  • Welke bevragingen geven ons een breed beeld van de situatie waarin het probleemgedrag voorkomt?
  • Hoe communiceren we een grondige analyse van observaties en bevragingen naar leerkrachten, leerlingen, ouders?
  • Welke acties op kind, klas en schoolniveau koppelen we aan deze analyses?

Klik hieronder op de verschillende stappen voor meer informatie over elk onderdeel.

Observatie

Gedragsproblemen lijken een aanval op de leerkracht. Het blijkt dat veel leerkrachten bij probleemgedrag de neiging hebben te gaan twijfelen aan hun eigen capaciteiten.

Om te voorkomen dat er door teveel emotie een vertekend beeld ontstaat over de problemen, is het belangrijk om bewust NIET te interpreteren, maar te observeren.

Bevraging

Er zijn heel wat partners betrokken bij een moeilijke situatie. We denken hierbij uiteraard aan de leerlingen die moeilijk gedrag vertonen, maar mogen hier zeker de gehele klasgroep niet uit het oog verliezen.

Anderzijds hebben we de leerkrachten, die er niet alleen mogen voorstaan.  Collega’s, zorgbeleid, directie, maar ook ouders zijn hier zeker belangrijke partners. Naast objectief observeren is het van groot belang om iedereen te bevragen.

Analyse

Analyseren is het systematisch ontleden van een complex probleem.

We trachten te omschrijven wát het probleem nu precies is, wat de oorzaken kunnen zijn, wie erbij betrokken zijn en wat we nog meer moeten weten om het probleem te kunnen aanpakken.

Vaak is een goede analyse van onze observaties en bevragingen het begin van de oplossing.

Overleg

Dit overleg is een bespreking van de visuele analyses die gemaakt zijn.

Hieruit zal een actieplan voortvloeien, waarbij duidelijkheid zal geschept worden naar manier van aanpakken.

Wat gaat er gebeuren? Wie gaat wat doen? Hoeveel tijd nemen vooraleer we dit evalueren?

Actie

Om goed te kunnen samen leven en leren in een klas is er nood aan duidelijke regels en afspraken. Het is belangrijk voor kinderen dat ze goed zicht krijgen op wat er van hen verwacht wordt. Dit geeft iedereen rust.

Daarom is het van groot belang om lessen sociale vaardigheden te geven rond de regels en afspraken in de klas.

Observatie

OBJECTIEVE OBSERVATIE

Een objectieve observatie hoeft geen administratieve rompslomp te zijn. Een A4-tje en een balpen zijn vaak al voldoende.

Lk geeft Y. korte individuele instructie.
49  sec: Y. werkt. Kijkt 3 keer bij buur
17 sec: vinger omhoog en leunt achteruit.
Y. stelt vraag aan lk over tussenstappen.
3min 36: Zucht, “ik wil geen tussenstappen”, hoofd op de bank, uitrekken, kin op de bank, praten met buurvrouw
30  sec: Y. werkt. Kijkt 2 keer bij buur
43 sec: rekenmachine nemen van buur
2min08: leunt achteruit, neemt agenda, kijkt in agenda, staart voor zich uit, praat met leerling.

+/-7 min niet gewerkt,

+/- 1,5 min effectief gewerkt.

Objectiviteit is de basis. Met deze observatie kan verder aan de slag gegaan worden. Dit kan later gebruikt worden in gesprekken met de leerkracht, de leerling, op MDO’s, tijdens oudercontacten.

Hier is duidelijk alle emotie uit de observatie gehaald, waardoor het veel makkelijker is om te gaan coachen. Er wordt nergens een interpretatie gedaan, waardoor niemand zich persoonlijk aangevallen kan voelen. Dit is een noodzakelijke basis om op verder te kunnen bouwen.

WIE-WAT-WAAR-WANNEER-HOE

Observeren vraagt een onderzoekende houding. Bij probleemgedrag zijn het vaak de vragen ‘waarom?’ of ‘waardoor?’ die we beantwoord willen zien. In veel gevallen zijn die niet zomaar met een observatie op te lossen. Er gaat bijna altijd nog een vraag aan vooraf: wat gebeurt er eigenlijk precies? Ook hierin is het belangrijk bewust om te gaan met enkel de objectieve waarnemingen.

Welk gedrag zien we?  “Het kind doet nooit iets”, is hier niet concreet genoeg. Wat zie je wel. Wat gebeurt er concreet?

Wanneer zien we dit gedrag? “Altijd” is geen optie. Beschrijf concreet wanneer het gebeurt. Bijvoorbeeld: als we net binnen zijn, na een kwartier werken, als de leerkracht zijn rug naar de klas draai, als de juf bij een ander kind individueel uitleg geeft, …

Bij welke lessen zien we dit gedrag? Bij rekenen wel en bij LO niet? Of andersom? Dit kan misschien wel het beginpunt van een later aanpak zijn.

Zijn er momenten waarin het gedrag niet voorkomt? We zijn vaak geneigd te kijken waar het mis gaat. De situatie waarin het gedrag zich niet stelt, kan een aanknopingspunt zijn.

Hoe vaak komt het voor? Dit is een objectieve meting. Vaak is dit confronterend voor de betrokken partijen, maar doordat niemand zich persoonlijk aangevallen voelt, wel heel effectief.

Hoe lang is het gedrag al aanwezig? Zijn er mogelijke veranderingen die een bepalende rol spelen?

Zijn er factoren in de omgeving die het gedrag uitlokken? Geen enkel kind staat ’s morgens op met de gedachte: “nu ga ik mama, de leerkracht, een klasgenoot, … het leven een hel maken.’ Probleemgedrag is altijd een signaal, een kreet om hulp. Het lukt me niet. Het is van belang uit te zoeken welke triggers er aanwezig zijn om bepaald gedrag te stellen.

Daarom is het van groot belang om niet enkel de leerling met probleemgedrag te observeren, maar naar de hele context te kijken. Gedragsproblemen zijn doorgaans interactieproblemen.

Wat

Praten met buur 6
Oogcontact zoeken met klasgenoot 4
Roepen door de klas 15
Iets op de grond laten vallen 8
Door de klas wandelen 18

Je hoeft niet op alle vragen een antwoord te zoeken. Het beantwoorden van de ‘Wat’-vraag is vaak de sleutel om verdere actie te ondernemen.

TURVEN

Meten is weten.  Door aantallen te vermelden worden subjectieve begrippen als vaak, soms, weinig, altijd, nooit vermeden. 

 

BEGIN BIJ LEVEL 0

Mogen we het gedrag dat we willen zien wel verwachten? Op welk niveau situeert zich de opdracht? Welk ontwikkelingsniveau haalt deze leerling? Welke omgevingsfactoren maken het moeilijk om dit tot een goed einde te brengen?

Maken we het onszelf niet te moeilijk? Maken we het de leerlingen niet te moeilijk? Kunnen we dingen loslaten?

Allemaal vragen die bij onszelf kunnen opkomen als we reflecteren over ‘omgaan met moeilijk gedrag’.

Leerlingen worden op school geconfronteerd met 101 opdrachten die we als vanzelfsprekend vinden. Voor vele leerlingen gaat dit inderdaad als vanzelf, maar niet voor alle leerlingen, zeker niet voor diegenen die moeilijk gedrag vertonen. Het kan zinvol zijn om na te gaan op welk level de opdracht zich situeert.

Opdracht

Level

Individueel aan je bank werken 1
Rechtstaan achter je stoel 2
Alleen door de klas wandelen 3
Samen door de klas wandelen 4
Opdracht per 2 3
Groepswerk 9
Samen in de gang 6

Deze bewustwording is noodzakelijk om in een later stadium ook daadwerkelijk veranderingen in de omgeving door te voeren. 

We denken hier bijvoorbeeld aan een de mogelijkheid dat een bepaalde leerling zijn boekentas in de klas mag uitladen ipv tussen alle leerlingen in de gang.  

Dit overzicht kan er bijvoorbeeld ook voor zorgen dat een leerkracht wel de stap zet om vooraf een groepsverdeling te doen bij groepswerk ipv de leerlingen op het moment zelf ‘vlug’ groepjes te laten maken.

ESCALATIEMODEL

Het is van groot belang om te kijken in welke fase van het escalatiemodel de observaties zich voordoen. Wanneer er sprak is van oplopende spanning bij leerlingen worden verschillende fasen doorlopen. We moeten in kaart brengen wat lijdt tot een crisis. Welk gedrag moeten we aanpakken? Waar moeten we beginnen?

T. zit in het eerste leerjaar. Stelt onaangepast gedrag op de school. De leerkracht wordt door hem leeggezogen.

Wat doet T?

storende geluiden maken in de klas, gillen en krijsen, niet doen wat de juf vraagt, spuwen, onbeleefde woorden gebruiken, stampen tegen schenen van volwassenen, gooien met stoelen, kruipt onder zijn bank, boekentassen wegschoppen, voortdurend sabbelen op trui of jas, niet willen werken

Als we deze casus op het eerste zicht bekijken, lijkt het onmogelijk om hiermee aan de slag te gaan. Gedragingen als spuwen, stampen tegen schenen, met stoelen gooien zijn de dingen die er bovenuit steken en lijken onoplosbaar. 

Als we dezelfde observaties in de agressiecurve plaatsen, is het geheel veel overzichtelijker en voelen we ons veel sterker om met deze dingen constructief aan de slag te gaan.

Opstartfase: storende geluiden maken in de klas, voortdurend sabbelen op trui of jas, niet willen werken

Escalatiefase: niet doen wat de juf vraagt, onbeleefde woorden gebruiken, kruipt onder zijn bank, boekentassen wegschoppen

Crisisfase: gillen en krijsen, spuwen, stampen tegen schenen van volwassenen, gooien met stoelen

De gedragingen in de crisisfase zijn van ondergeschikt belang. In deze fase kunnen we het minste doen. We zorgen voor veiligheid en proberen de leerling tot rust te laten komen.  In een crisisfase zeggen en doen mensen dingen waar ze zich op dat moment niet altijd bewust van zijn en waar ze achteraf vaak spijt van hebben. In deze crisismomenten zijn mensen niet meer in staat om naar goede raad te luisteren of om ‘waarom’-vragen te beantwoorden.

Als we professioneel met een crisis omgaan, is het van belang om te kijken naar het gedrag dat zich stelt in de opstart- en escalatiefase. 

 

ABC-SCHEMA

Met een ABC-analyse kijk je heel gericht naar wanneer vertoont de leerling welk gedrag.  Wat gaat er vooraf aan het gedrag? Wat gebeurt er nadien? Hoe reageert de leerkracht erop?  Hoe reageren andere leerlingen erop?

Een ABC-analyse kan je best door een externe observator laten doen. Het is de bedoeling om heel gericht te kijken naar het gedrag waar de leerkracht, het kind of de omgeving zich aan ergert.

In het ABC schema staat A voor Antecedenten, B voor Behavior en C voor Consequenties.

Antecedenten: In welke situatie bevindt de leerling zich? Wat zijn mogelijk uitlokkende factoren? Wat was de aanleiding, de prikkel?

Behavior: Wat doet de leerling? Wat doet de leerkracht?

Consequenties: Wat is het gevolg voor de leerling? Is dit positief of eerder negatief? Heeft het gedrag hierdoor iets negatiefs vermeden?

Gebeurtenis

Gedrag

Gevolg

Een leerling gooit met een gom door de klas.  Deze vliegt tegen een andere leerling. De leerling staat recht en geeft de leerling die de gom gegooid heeft een slag in de buik. De leerkracht schrijft een nota in de agenda van de leerling die geslagen heeft.

Door deze wijze van observeren is het vaak beter mogelijk om de zorgbehoefte van de leerling in kaart te brengen en vervolgens een passende aanpak te bepalen.

In een gesprek met de leerling kan deze observatie heel handig zijn om samen op zoek te gaan naar mogelijkheden. Wat moet de leerling doen en wat kan de leerkracht doen om dit gedrag te voorkomen. Van wie heeft de leerling hierbij hulp nodig?  Welke rol spelen klasgenoten hierin?

Bevraging

VRAGENLIJST LEERKRACHT

Met deze vragenlijst proberen we een zo objectief mogelijk beeld te scheppen van de leerling met moeilijk gedrag. Na het invullen van deze 17 vragen, die uitsluitend over gedrag gaan,  is het eenvoudig om zowel de positieve als werkpunten van de leerling op te lijsten. Het is zinvol om deze vragenlijst te laten invullen door alle betrokken leerkrachten (LO- lkr, ambulante lkr. toezichthouders, …) zodat nadien een vergelijking van elkaars resultaten kan weergegeven worden.

Bij het opstellen van deze bevraging, baseerden we ons op de GPS, de screeningslijst gedragsproblemen op school van De Vos en Spiessens. Deze gedragsobservatielijst bestaat uit 60 items ingedeeld in 6 rubrieken: werkhouding, zelfbeeld, sociale communicatie, algemene relatieproblemen, oppositioneel-agressief gedrag, psychopathologische problemen. Deze screeningslijst is uiterst geschikt voor de handelingsplanning op scholen.

DE VOS Maté & SPIESSENS Regina, Screeningslijst Gedragsproblemen op school (GPS), Caleidoscoop, Brussel (2007) jrg.19 nr.6, p. 4

VRAGENLIJST LEERLING

De 17 vragen van de ‘vragenlijst leerkracht’ worden hier voorgelegd aan de leerling zelf.   Vaak blijkt dat leerlingen zich niet altijd bewust zijn van hun eigen gedragingen. Door de resultaten van de leerkrachten naast deze van de leerling te leggen, wordt het eenvoudiger om op een objectieve manier de leerling te coachen.  

De items die de leerling zelf aanduiden als werkpunt, zijn zeer dankbaar om als professional te bespreken. De motivatie om eraan te werken, komt immers van de leerling zelf. Waar blijkt dat er grote verschillen zijn tussen wat leerkrachten ervaren en hoe de leerling het ziet, is het noodzakelijk om op zoek te gaan naar gerichte observatie, waarmee de leerling kan geconfronteerd worden.

 

GROOT ONDERZOEK

Deze bevraging is gericht naar de volledige klasgroep. Om het laagdrempelig te maken kaderen we dit als een ‘groot onderzoek’. We willen in kaart brengen hoe deze klasgroep op dit moment gevormd is. De resultaten van dit onderzoek worden achteraf met de leerlingen besproken. Dit is een eerste stap in een proces om de verschillen tussen de leerlingen in kaart te brengen.

Vooral de vragen wat vind je leuk, wat vind je minder leuk, zijn zinvol om samen te vatten en conclusies te trekken naar de groep. Door deze bevraging kunnen we in het verdere proces steeds terugvallen op het feit dat de klasgroep zelf aangegeven heeft: ‘Wat moet er hier veranderen om fijner samen te leven.’  Waar storen we ons aan?

EIGEN VOORKEURSTRATEGIE EN INTERACTIE LEERKRACHT

Elke leerkracht heeft zijn eigen stijl. Naargelang de oorzaak van het probleemgedrag is er een andere aanpak nodig. Iemand die hevig te keer gaat uit frustratie kan men best kalmeren ipv nog eens extra te confronteren. Een leerling die bewust de grenzen aftast is dan weer meer gebaat bij een snelle confrontatie. Het is belangrijk om ons bewust te zijn van onze eigen voorkeurstrategie, maar tevens ook de voor-en nadelen te kennen van de verschillende interactiestijlen.

Ontwijken – negeren: niets doen/zeggen, de andere kant opkijken, van onderwerp veranderen, net doen of het niet gebeurt.

Voordelen

Nadelen

  • Machtstrijd voorkomen
  • Confrontatie uitstellen
  • Situatie verschuiven naar een geschikter moment
  • De ander wordt niet op zijn plaats gezet
  • Je zelfvertrouwen groeit er niet door
  • De ander gaat verder en verder

Deëscaleren – kalmeren: de ander laten uitrazen, luisteren, begrip geven, oplossingen zoeken, een gesprek aangaan.

Voordelen

Nadelen

  • Frustratie snel kalmeren
  • Begrip tonen, relatie bevorderend
  • Vertrouwen en respect
  • Enkel bij frustratie-agressie
  • Eigen emoties opzij schuiven
  • Gewoonte om telkens bij jou frustratie te uiten

Confronteren: duidelijk grenzen stellen aan storen gedrag.  Dit kan vriendelijk, kordaat of kwaad gebeuren.

Voordelen

Nadelen

  • Duidelijkheid wat je niet leuk vindt
  • Je vraagt/eist respect
  • Zelfvertrouwen groeit
  • Vraagt zelfzekerheid
  • Niet altijd gepast: tegenover frustratie-agressie werkt het eerder als een rode lap op een stier.

Hulp halen: hulp erbij halen in een noodsituatie, of met iemand van buitenaf een plan bespreken en je laten ondersteunen.

Voordelen

Nadelen

  • Samen ben je sterker
  • Je voelt steun, erkenning
  • Gevoel: ik kan het niet alleen
  • Vrees voor gezichtsverlies

Ontmijnen, humor: onverwachte aanpak, de spanning vermindert, ook een leuke manier om duidelijk te laten voelen wat je wil.

Voordelen

Nadelen

  • Situatie doorbreken
  • Spanning wordt weggelachen
  • Kritiek geven terwijl de ander in zijn/haar waardigheid kan gelaten worden.
  • Kan slecht opgevat worden en voor meer agressie zorgen
  • Spontane inval en dus moeilijk te plannen
  • Onduidelijk overkomen waardoor de ander steeds verder gaat

Tegen-agressie: de ander gezichtsverlies doen lijden, afwijzen, schelden, dreigen, kwetsen, subtiel, fijntjes of bruut.

Voordelen

Nadelen

  • Voor een moeilijk verstaander, kan dit duidelijk zijn
  • Je laat zien dat je niet met je laat sollen.
  • De ander wordt nog kwader. Er ontstaat nog meer strijd.
  • Achteraf problemen door wraakgevoelens
  • Iemand zeer diep kwetsen
  • Vertrouwen is helemaal weg

© Refleks Waarbaarheidscentrum vzw. Gepubliceerd in ‘Weerbaarheid van jongeren. Een denk- en doeboek’ – Suzanne Cautaert, Veerle Dupont, Ilse Ideler (Garant, 2000)

EIGEN VOORKEURSTRATEGIE EN INTERACTIE LEERLING

Niet enkel de leerkracht, maar ook elke leerling heeft zijn eigen voorkeurstijl. Het kan zeer zinvol zijn om dit na te gaan, waardoor men de andere interactiestijlen kan inoefenen, zodat de leerling bewuster kan omgaan met moeilijke situaties. In een kringgesprek kunnen de voor-en nadelen van de verschillende interactiestijlen besproken worden. De leerlingen leren zo elkaars voorkeurstrategie kennen en zullen hierdoor bewuster met elkaar kunnen omgaan.

10 VRAGEN PER DAG

Soms is het moeilijk om te communiceren over gevoelens en gedrag. De ene leerling doet dit niet, de andere leerling profiteert ervan om ellenlange verhalen te vertellen. Sowieso wordt het praten over gevoelens of gedrag ook emotioneel geladen. Het kan goed zijn om deze valkuilen te omzeilen door vragenljsten aan te bieden.

Door slecht 10 vragen te selecteren, blijft dit overzichtelijk. Deze vragen kunnen best niet allemaal over gedrag en gevoelens gaan. In bijlage vinden jullie een voorbeeld met 9 alledaagse vragen en slechts 1 vraag rond gevoelens en gedrag.

Inspiratie kunnen jullie opdoen bij de documenten 75 alledaagse vragen en 50 vragen over gedrag.

Bijlage: 10 vragen per dag

Inspiratie: 75 alledaagse vragen

Inspiratie: 50 vragen over gedrag

Analyse

DIAGRAMMEN

Louter observeren en bevragen is niet voldoende. Als we de gegevens in kaart brengen, vallen er meestal een aantal zaken op. Deze visuele ondersteuning helpt enorm om tot coachen te komen. 

Door deze analyse op tafel te leggen, hoeven we niet langer tegen de leerkracht te zeggen dat er veel scheldwoorden tijdens zijn lessen worden gebruikt. Hier ziet iedereen meteen hoeveel en wanneer dit gebeurt. De emotie is er uitgehaald, waardoor we veel sneller zullen overgaan tot het bedenken van mogelijkheden om dit probleem aan te pakken. Deze analyse kan ook gebruikt worden naar de leerlingen zelf. Door dit te tonen, worden leerlingen zwart op wit geconfronteerd met de feiten. Dit is veel krachtiger dan enkel de woorden ‘we moeten minder scheldwoorden gebruiken’.

BEPAAL HET MEEST ONACCEPTABEL GEDRAG

De leerkracht doet ertoe. We proberen onze waarden en normen door te geven aan de leerlingen. Elke leerkracht heeft zijn eigen stijl. De ene leerkracht vindt het niet erg dat er door de klas wordt geroepen, de andere leerkracht eist volledige stilte. Het is van groot belang om te onderzoeken wat voor deze betrokken leerkrachten absoluut moet veranderen. Als het gaat over omgaan met gedragsproblemen zijn er vele zaken die we willen veranderen. Dit gaat echter niet allemaal tegelijkertijd. We vragen daarom een selectie te maken van maximum 3 meest onacceptabele gedragingen. 

DOELSTELLINGEN

In het omgaan met probleemgedrag willen we de nadruk leggen op het bewust omgaan met moeilijke situaties. Een zinvolle analyse zou kunnen zijn om de vier stappen van het GROW coaching model te gebruiken. Dit model is een beproefd model om structuur aan te brengen in een coachingsgesprek. Deze stappen kunnen gezet worden in een gesprek, maar kunnen evengoed aan de betrokken leerkrachten gegeven worden in de vorm van een geschreven bevraging. Hierdoor valt vaak de emotie weg, waardoor het achteraf makkelijker wordt om concreet aan de slag te gaan. De leerkracht gaat hier zelf actief aan de slag in het verhelderen van het probleem en het genereren van ideeën. 

Stap één van het GROW coaching model is het vaststellen van het doel.

HUIDIGE SITUATIE

Stap twee van het GROW coaching model is het verkennen van de actuele situatie. Het gaat er in deze fase te doorgronden en aan te scherpen. We willen concrete voorbeelden analyseren.   Belangrijk is de rode draad te zoeken en irrelevante zijpaden tijdig af te sluiten. We willen het kernprobleem verhelderen.

OPTIES

Doel van stap drie bij het GROW coaching model is het genereren van ideeën die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van het probleem. De kunst is een creatief denkproces op gang te brengen en vrijuit te brainstormen. 

KEUZES

De vierde en laatste stap bij het GROW coaching model is het komen tot een afrondende conclusie. Welke optie willen we inzetten? Hieruit volgt een duidelijk actieplan over wie, wat binnen welk tijdsbestek gaat doen.

ESCALATIEKETEN

Escaleren is vaak een patroon geworden. De ruzies en aanvaringen stapelen zich op. Om dit te voorkomen, is het belangrijk in beeld te brengen waar en hoe het precis misgaat. Hiervoor kunnen we de escalatieketen gebruiken. Benoem alle dingen die gezegd en gedaan worden door iedereen die erbij betrokken is.

Met deze escalatieketen voor ons is het makkelijker om volgende vragen te beantwoorden.

  • Op welk moment ging het mis?
  • Wat hadden achteraf gezien op dat moment alternatieven geweest?
  • Wie hadden we kunnen vragen om te helpen? Wie kunnen we een volgende keer inschakelen?

BOM-MODEL

Het BOM –model staat voor “Beter Omgaan met Mekaar” en werd ontwikkeld door Philippe Cockx, directeur van een bubao type 3 school. Constructief omgaan met conflicten betekent dat we ons gedrag bewust sturen zodat we de ander kunnen beïnvloeden. Het reflecteren over ons eigen gedrag bepaalt in grote mate hoe het verder zal evolueren. Ben ik bewust van mijn eigen gevoelens en die van een ander? Kan ik hiermee rekening houden bij mijn handelen?  Hoeveel mogelijkheden tot handelen zie ik? Wat zal het effect zijn op de ander? Allemaal vragen die zich afspelen aan de binnenkant (stap 2 en 3), maar die wat we zien, de buitenkant (stap 1 en 4) enorm in positieve of negatieve zin beïnvloeden.

Overleg

OVERLEG MET LEERKRACHTEN EN SCHOOLTEAM

In je eentje de strijd tegen gedragsproblemen aangaan is bij voorbaat een verloren strijd. Het is belangrijk dat de betrokken leerkrachten vrij geroosterd worden om samen de analyse van observaties en de bevragingen te bespreken. De aanwezigheid van de zorgcoördinator en directeur is een duidelijk signaal naar alle betrokkenen dat deze moeilijke situatie als ernstig wordt gezien.

Daarom is het noodzakelijk om nog eens te benadrukken dat alle aanwezigen op dit overleg een netwerk vormen rond de moeilijke situatie, zodat de leerkracht duidelijk ervaart er niet alleen voor te staan.  Samen zoeken we naar mogelijkheden. 

Het is van groot belang om voldoende tijd te nemen om dingen uit te proberen.  Gedragsmoeilijkheden aanpakken vraagt veel tijd en energie. We moeten onszelf deze tijd gunnen. Het is van groot belang om met heel het netwerk slechts acties te plannen waarvan we 100% overtuigd zijn dat we deze voor de afgesproken periode kunnen volhouden.

OVERLEG MET LEERKRACHTEN, SCHOOLTEAM EN OUDERS

Als we als school een duidelijk actieplan hebben opgesteld, kunnen we dit voorleggen aan de ouders. De school heeft de regie in handen, maar kan wel hier en daar de mening van ouders respecteren en kleine aanpassingen doen ten gunste van alle partijen.  

Het is belangrijk om ook met de ouders het hele proces van observaties, bevragingen en analyses te doorlopen. Enkel afkomen met acties zou voor spanningen kunnen zorgen, maar als de ouders merken dat al deze acties voortvloeien uit een grondig onderzoek, zal er minder weerstand ontstaan.

DE INDIVIDUELE AANKONDIGING

Na overleg met het netwerk rond de moeilijke situatie is het noodzakelijk om hierover met de leerling in communicatie te gaan.

Ons doel is om weer in contact te komen met de leerling zodat we de relatie kunnen herstellen. Dat kan knap lastig zijn, zeker wanneer de leerling doet alsof het hem allemaal niet interesseert, wanneer hij vaak het bloed van onder onze nagels vandaan haalt. Als professional zullen we opnieuw de eerste stap moeten zetten. 

We mogen tijdens dit overleg niet vervallen in de zoveelste preek, want dat werkt niet.  Daarom organiseren we een aankondiging, een brief die wordt voorgelezen. De start van het veranderingsproces.

DE KLASSIKALE AANKONDIGING

Een gedragsprobleem is vaak een interactieprobleem. In vele gevallen gelden de afspraken die gemaakt worden voor die ene leerling, ook voor verschillende kinderen van de klas. Het kan een groot hulpmiddel zijn om na de individuele aankondiging meteen te vermelden dat we de betrokken leerling ook zullen helpen door de gemaakte afspraken voor de ganse klasgroep in te voeren.  Door de hele groep te gebruiken, creëren we automatisch een gemeenschappelijk taal.  Hierdoor zal het voor de leerkrachten veel makkelijker zijn om de gemaakte afspraken te laten verder leven. 

De individuele aankondiging die we gebruikten, kunnen we vertalen naar de ganse klasgroep.   Ook hier geldt het vormen van een netwerk als een krachtig signaal. Als deze brief wordt voorgelezen met aanwezigheid van zoveel mogelijk leerkrachten, zorgco, directie, … nemen we stelling tegen het onacceptabel gedrag.

Actie

LESSEN SOCIALE VAARDIGHEDEN

Als we geconfronteerd worden met moeilijk gedrag is het belangrijk om na te gaan welk gedrag we willen aanpakken.  Wat is voor ons het meest onacceptabel gedrag. Wat kan echt niet meer en moet onmiddellijk stoppen. We maken hier een top 3 van. Vanuit deze negatieve top 3 formuleren we 1 positief werkpunt dat de hele lading kan dekken. 

Leerlingen krijgen regelmatig opmerkingen over wat ze niet goed doen: niet lopen, niet wiebelen, niet roepen. Het is belangrijk dat we leerlingen zicht geven op wat de gedragsalternatieven zijn. We laten in onze communicatie duidelijk zijn welk gedrag we willen zien. 

Dit werkpunt alleen visualiseren zal onvoldoende zijn. Leerlingen weten best wel dat ze gepast moeten reageren, maar zijn vaak niet bij machte om dit ook daadwerkelijk uit te voeren. We moeten de leerlingen tools aanreiken om onze verwachting ook slaagkansen te geven. 

Met andere woorden we laten dit werkpunt leven in de klas. Soms hangen er klassen vol met visuele ondersteuningen, maar wordt er niet één keer naar verwezen. Op deze manier kunnen we de visuele ondersteuning beter weghalen, zodat het lokaal ook meteen wat prikkelarmer wordt.

Als we echt iets willen bereiken, moeten we samen met de leerlingen een vertaling maken van de gemaakte afspraken. Als leerlingen de zin van een bepaalde regel inzien, zullen ze deze gemakkelijker naleven.  en afspraak is pas een afspraak als deze echt leeft in de klas. We moeten dus nagaan of de regel voor iedereen duidelijk is. Is de regel zinvol? Zijn er niet teveel regels en afspraken? 

Door afspraken te laten leven, zal er ongetwijfeld ook aan groepsvorming gedaan worden. We bieden voldoende oefenkansen aan leerlingen om sociale vaardigheden te verwerven. We maken best tijd om conflicthantering te oefenen in vredestijd, voor dat er zich een conflict voordoet. Hoog oplopende ruzies bieden immers weinig oefenkansen, rollenspelen doen dit wel. In het oefenen vooraf en de nabespreking van conflicten zitten wel veel leerkansen. 

Als leerlingen moeite hebben met lezen, krijgen ze ondersteuning. Als kinderen enkele sociale vaardigheden nog niet beheersen, treden we vaak bestraffend op. Beter is te zorgen voor ondersteuning bij het bewust omgaan met elkaar, het leren samenwerken, het omgaan met conflicten…

Ook leren stilzitten, leren aandacht geven en leren zelfstandig werken vraagt tijd. We zijn van mening dat visueel ondersteunen van deze werkpunten essentieel is om mee aan de slag te gaan.

Het werkpunt ‘ik reageer gepast’ wordt op deze manier veel tastbaarder voorgesteld. Er wordt een symbool aan het werkpunt gekoppeld, maar dit kan bijvoorbeeld ook een foto van de klasgroep zijn. Daarnaast worden enkele tips geformuleerd die de leerlingen kunnen gebruiken om daadwerkelijk gepast te reageren. Het is noodzakelijk om met deze tips ook daadwerkelijk aan de slag te gaan. Ook hier moeten we leerlingen aanleren om bijvoorbeeld op een gepaste manier ‘stop’ te zeggen of te aanvaarden. Hoe controleer je jezelf. Dit vraagt tijd en ruimte. Welke hulplijnen hebben leerlingen? Breng deze in kaart en leer hen om de geboden hulp ook daadwerkelijk te aanvaarden. 

Door deze vaardigheden in groep te trainen, ontstaat er een gemeenschappelijke taal waarbij iedereen zich op termijn veel sterker zal voelen. De leerkracht heeft niet langer het gevoel er alleen voor te staan. De leerling die moeilijk gedrag vertoont, kan terugvallen op een omgeving die actief bezig is met het zoeken naar mogelijkheden. Maar ook de klasgenoten zullen zich veel sterker voelen in het omgaan met leerlingen met probleemgedrag. Win – win!

EEN RAAR GEVOEL

Moeilijke situaties brengen een bepaald gevoel naar boven. Het is moeilijk te omschrijven welk gevoel dit precies is. Het is wel belangrijk om dit bespreekbaar te maken in een klasgroep. We spreken van een raar gevoel.

Wat voor de ene een moeilijke situatie is, is dit misschien niet voor de andere. Soms dramatiseren we bepaalde zaken, waardoor de actie die erop volgt niet in verhouding staat met de gebeurtenis. Het is van belang om leerlingen dit aan te leren. Een handig hulpmiddel zou kunnen zijn om per gebeurtenis een cijfer op 10 te geven en deze te rangschikken van ernstig tot banaal. Op deze manier leren we kinderen bewust te relativeren.  Nadat er weer eens iets voorgevallen is in de klas, bespreken we dit telkens op deze manier. Zo laten we iets leven binnen onze klasgroep.

Bron: Warwick Pudney, Eliane Whitehouse (2012) Een vulkaan in mijn buik. Kinderen leren omgaan met boosheid en woede. Uitgeverij Nieuwezijds B.V.

JE HEBT ALTIJD EEN KEUZE

Per dag gebeuren er 101 zaken waarbij we telkens bewust of onbewust een raar gevoel krijgen en waarbij we vervolgens tot een actie overgaan. Vaak gebeuren deze dingen onbewust en denken we achteraf wel eens ‘hadden we dit of dat niet beter anders aangepakt’. Om moeilijke situaties aan te pakken is het van belang om hier heel bewust mee om te gaan. We willen ernaar streven dat men niet meer achteraf moet nadenken over de gemaakte keuze, maar dat men heel bewust voor het handelen al denkt over welke aanpak goed is. We noemen dit ‘voordenken’. Elk gedrag heeft zijn gevolg en kunnen we onderverdelen in 3 categorieën. 

  • Groen gedrag is gedrag waarbij je niet in de problemen komt en waarbij je jezelf als persoon goed voelt. Bijvoorbeeld iemand gooit een gom naar je en je zegt duidelijk STOP, dit vind ik niet goed.
  • Oranje gedrag is gedrag waarbij je niet in de problemen komt, maar waarbij je jezelf niet goed voelt. Bijvoorbeeld iemand gooit een gom naar je en je reageert niet.
    Oranje gedrag zou ook gedrag kunnen zijn waarbij je jezelf wel goed voelt, maar waarbij je toch in de problemen komt.  Bijvoorbeeld iemand gooit een gom naar je en je gooit hem terug.
  • Rood gedrag is gedrag waarbij je in de problemen komt en waarbij je jezelf achteraf ook slecht voelt. Bijvoorbeeld iemand gooit een gom naar je en je slaat hem.

Rollenspellen zijn een handig instrument om deze dingen in te oefenen. Door leerlingen zelf op zoek laten gaan naar groen, oranje en rood gedrag op een bepaalde gebeurtenis scheppen we een gezamenlijke taal, trainen we sociale vaardigheden en laten we iets leven binnen onze klasgroep. Als leerkacht hebben we het veel makkelijker om moeilijke situaties bespreekbaar te maken en zullen we het gevoel hebben sterker in onze schoenen te staan.

WELKE KEUZES HEBBEN WE?

We moeten leerlingen aanleren dat het in de ene situatie beter is om een andere strategie te gebruiken dan in de andere.

Elke leerling heeft zijn eigen voorkeurstijl. Het kan zeer zinvol zijn om dit na te gaan, zodat de leerling bewuster kan omgaan met moeilijke situaties. In een kringgesprek kunnen de voor-en nadelen van de verschillende interactiestijlen besproken worden. De leerlingen leren zo elkaars voorkeurstrategie kennen en zullen hierdoor bewuster met elkaar kunnen omgaan.

KR8//

Omgaan met moeilijke situaties vraagt heel wat vaardigheden van leerlingen en leerkrachten.  In vele gevallen zullen we kunnen terugvallen op deze 8 krachtlijnen, waarbij we zowel als leerkracht en als leerling veel sterker in onze schoenen zullen staan.  Voor leerlingen is het van groot belang om deze krachtlijnen meermaals te kunnen inoefenen.

1. Ik zeg stop

Op een gepaste manier aangeven dat je bepaald gedrag niet leuk vindt of niet meer wil is niet eenvoudig.  Gebruik van ik-boodschappen is vaak effectief.  Grenzen aangeven, andermans grenzen voelen,  … is niet vanzelfsprekend.  Het is logisch dat we kinderen hierbij ondersteunen.

2. Ik aanvaard stop

Leerlingen dienen per dag heel vaak met iets te moeten stoppen.  Denk maar aan het afsluiten van de speeltijd, de overgang van de rekenles naar de taalles, hun vinger opsteken ipv door de klas te roepen, …    Samen op zoek gaan naar hulpmiddelen om bewuster en beter om te gaan met ‘stop’ is zeer zinvol.

3. Ik sta sterk

We kunnen maar gepast op iets reageren als we onszelf in evenwicht voelen.  Het aanleren om fysiek en mentaal sterk te staan is essentieel in het omgaan met moeilijke situaties, zowel voor de leerling als voor de leerkrachten.

4. Ik geef tijd

Ons bewust zijn van de tijd, elkaar bedenktijd geven, tijd nemen om iets te verwerken, … vraagt een extra inspanning van ieder van ons.

5. Ik negeer het

Dit is makkelijker gezegd dan gedaan.  We moeten vaak onze leerlingen tips meegeven om iets te kunnen negeren.

6. Ik ga sterk weg

Onze lichaamshouding en onze mimiek spelen een zeer belangrijke rol in het omgaan met moeilijke situaties.  Het is belangrijk ons hiervan bewust te zijn en bepaalde zaken aan te leren en te trainen.

7. Ik vraag hulp

Wanneer beslis je om iemand anders in te schakelen?  Hoe doe je dit gepast?  Hoe zorg je ervoor dat de kans groot is dat deze persoon je ook daadwerkelijk zal helpen?

8. Ik aanvaard hulp

Hulp vragen is één ding, maar de aangeboden hulp toelaten en hier ook effectief mee aan de slag gaan is in de praktijk niet altijd zo eenvoudig.   Ook dit vraagt training.

In bijlage staan per krachtlijn een aantal oefeningen die tijdens lessen sociale vaardigheden, maar ook als tussendoortje kunnen aangeboden worden.  Belangrijk hierbij is wel dat we als leerkracht telkens bewust verklaren welke krachtlijn we inoefenen.  Omgaan met moeilijk situaties is constant bewust bezig zijn met …

Bron: Freerk Ykema (2014) Rots en Water, psychofysieke training voor jongens en meisjes. Uitgeverij SWP Amsterdam

BEWUST AANWEZIG ZIJN

Als leerkracht doen we ertoe. Onze fysieke aanwezigheid is van zeer groot belang in het al dan niet slagen van onze goede voornemens. Leerlingen hebben ons nodig om zich gesteund te voelen en tegelijkertijd hebben ze de constante sturing nodig om beetje bij beetje dingen aan te leren.

Het voor iedereen zichtbaar maken waar in de klas een toeziend oog en een fysieke aanwezigheid van groot belang is, helpt. Als de leerlingen voor het boterhammen eten hun handen moeten wassen aan de wastafel is het goed dat de leerkracht zich niet aan de andere kant van het lokaal bevindt. Door hier bewust mee om te gaan en dit ook zo te verwoorden aan de leerlingen zorgen we voor een pro-actieve aanpak van gedragsproblemen. Zonder onze aanwezigheid is het immers veel moeilijker om niet snel iemand nat te spatten, waardoor er een raar gevoel ontstaat en dit zou kunnen uitmonden in een moeilijke situatie.

Als we bij het binnenkomen in het deurgat staan om elke leerling afzonderlijk te begroeten, eventueel de hand te schudden en goede morgen te zeggen, leggen we veel meer verbinding dan een babbelaar terecht te wijzen. Wees maar zeker dat de babbelaars ook veel stiller zullen zijn door onze aanwezigheid bij het binnenkomen van het lokaal. Is een les al niet half mislukt, doordat je nog voor ze eigenlijk begonnen is al meermaals iemand hebt moeten terechtwijzen?

HERSTEL

Ondanks alles blijft omgaan met moeilijk gedrag erg moeizaam, zwaar en slopend. Vaak hebben we het gevoel van de processie van Echternach. 

Er zullen zich blijvend moeilijke situaties blijven voordoen, waarbij het noodzakelijk is dat we ook hiermee constructief, herstellend omgaan. 

Het is van belang om ook de herstelgebaren met elkaar af te spreken. Wat verwacht de betrokken leerkracht van de leerling? Het herstelgebaar zal per leerling, per leerkracht, per casus verschillen. Soms maakt een leerling in een crisis iets kapot. Hij beschadigt spullen van zichzelf, van school of van medeleerlingen. Vraag aan de betrokken partijen hoe deze schade dient hersteld te worden en streef naar een compromis met het slachtoffer als spilfiguur.  Hiermee wordt voor iedereen duidelijk dat elk gedrag zijn gevolg heeft. Er is aandacht voor de schade, maar ook voor het herstellen van kapotte relaties. Dat kost tijd en gaat niet vanzelf, maar uiteindelijk levert het iedereen iets op.

Een aanpak van herstel dient idealiter afgestemd te worden op het hele actieplan dat is opgesteld. In bijlage vinden we een mogelijke manier om via de 8 krachtlijnen aan herstel te doen.

Meer weten? Meld je hier aan om alle documentatie en infobrochures te downloaden.